Welkom bij de
Reumapatiëntenvereniging Zoetermeer e.o.

lettergrootte:   A+ Ao
anbi_t.png


Verslag PatiŽnten informatiedag
7 maart 2009 in het LUMC

Zie voor het algemene gedeelte het verslag van Ivonne de Wit


Artrose

In het tweede deel van de patiënteninformatiedag werden verschillende parallelle sessies gehouden. Een van de presentaties ging over artrose en deze werd gegeven door Margreet Kloppenburg.

In haar presentastie wees Margreet Kloppenburg erop dat in eerst instantie iedere onderzoeker zich vooral stortte op artritis. Artrose werd pas vanaf 2000 betrokken bij het onderzoek. In het artrose-onderzoek wordt nagegaan welke hulp een MRI scan kan zijn voor de behandeling van artrose.
Artrose is eigenlijk een groep van ziekten. Centraal hierbij staat het kapotte kraakbeen en kapot en ontstoken kapsels rondom het gewricht. Van de reumapatiënten heeft meer dan 50% artrose. Slechts een klein aantal heeft RA (< 15 %). Door de artrose wordt het kapsel uitgerekt en dat is zeer pijnlijk. Artrose kent rustige perioden (statische satu) en flores waarbij het gewricht dan rood is; het steekt, en veroorzaakt pijn.
Hoe artrose ontstaat, weten we niet goed en daar is lastig achter te komen. Inmiddels weten we dat artrose niet één oorzaak heeft, maar vele. Belangrijke factoren hierbij zijn: leeftijd, hormonale huishouding (vaak na de menopauze), opgelopen trauma (voetbalknie) en erfelijke factoren.

Onderzoek
Via onderzoek trachten we betere meetmethoden te ontwikkelen. Bij het onderzoek van het LUMC zijn 2000 mensen en hun familiebanden (broers, zusters) betrokken. Als eerste resultaat bleek dat de erfelijke factor bij artrose groot is. Een uitgezonderd hierbij is de knieartrose (deze wordt vaak veroorzaak door een trauma; voetbalknie e.d.).
De genen die bij artrose een grote rol spelen zijn die voor

  • de opbouw van het skelet ( Frizzled related protein gen),
  • kraakbeen eiwit (Matriline-3 gen),
  • schildklierhormoon gen (DIO2-gen),
  • CRP-haplotype

De precieze betekenis van de rol van deze genen is nog niet bekend. Daarvoor is nog nader onderzoek nodig.
Bij het onderzoek bleken de gewrichten in de hand het snelste achteruit te gaan. Uit röntgenfoto’s bleek dat de artrose na twee jaar met 20% te zijn toegenomen. Bij de heup daarentegen werd een teruggang gemeten van zo’n 4 %. De pijnbelevenis nam in die twee jaar toe: voor de hand met 75% en voor de heup met 46%. De menopauze had een grote invloed op de achteruitgang.

MRI-studie
Röntgenstralen waren in het verleden de enige methode om een gewricht te onderzoeken. Het is goedkoop en is in ieder ziekenhuis beschikbaar.
Bij röntgenstudies naar artrose zie je alleen botweefsel. Maat voor de ernst is de spleet tussen de gewrichtsuiteinden en de osteofyten (aangroei van bot aan de randen van de gewrichten te zien als botuitsteeksels). Weke delen, zoals kraakbeen en gewrichtskapsel die ook van belang zijn, zijn helaas niet te zien op een röntgenfoto.
Thans komen meer en meer MRI-apparaten beschikbaar en wordt er steeds meer ervaring mee opgedaan. De meeste ervaring is nu met de knie opgedaan. Het voordeel van zo’n MRI scan is in ieder geval dat het geen stralenbelasting geeft. De weke delen komen ook in zichten en dit geeft de mogelijkheden om een relatie met symptomen te leggen. Het voorspellen van de achteruitgang; afwijkingen vast te stellen in een ‘vroege fase artrose’ en het vaststellen van de achteruitgang op kort termijn.
De ervaring is nog niet van dien aard dat MRI al kan worden toegepast in de huidige klinische praktijken. Het is nu nog slechts voor wetenschappelijke doeleinden. Er is slechts beperkt plaats voor het analyseren van symptomen bij artrose en bij onderzoek van ‘vroege artrose’.
Van handartrose is nog weinig bekend. Te zijner tijd zal MRI ook voor handartrose worden ingezet. Nu is het nog niet nauwkeurig genoeg.

Behandeling van artrose
De behandeling van artrose beperkt zich nu nog tot pijnbestrijding. Hierbij is paracetamol de eerste keus. Wordt de pijn erger dan komen NSAIDs in aanmerking zoals diflofinax en trachnatol. Dit laatste is een morfineachtige stof.
Een ander middel is het voedingssupplement Glucosaminesulfaat of hydrochloraat. Aanbevolen wordt om dit drie maanden uit te proberen. Helpt dit in die tijd niet, dan heeft het geen zin om hiermee langer door te gaan. In het begin kwamen op het gebruik van dit voedingssupplement veel positieve verhalen. De meeste onderzoeken kwamen van instituten die tabletten gebruikten van de Rotta farmaceutical Company. Inmiddels is er al veel wetenschappelijk onderzoek gedaan naar glucosamine. De meeste, gunstige onderzoeken kwamen van Hierbij kwam vast te staan dat de samenstelling van het voedingssupplement zeer divers is. Ook kwam vast te staan dat het effect niet zo groot is als men eerder beweerde. Uit de laatste onderzoeken, waaronder het Erasmus MC te Rotterdam, kwamen steeds meerdere ongunstige resultaten voor het gebruik van glucosamine.

Pie Hellwig

 

Meer verslagen                   TOP